Il paradiso di dolci canti e suoni:
facetten van het muziekleven in het 16de-eeuwse Rome
Katelijne Schiltz
[Word versie met voetnoten]
I. Het pauselijk hof
Wie Rome zegt, zegt bijna automatisch het Vaticaan. Onze
verkenningstocht van het muziekleven in het 16de-eeuwse Rome moet dan ook bijna
noodzakelijkerwijze beginnen bij het pauselijk hof in het algemeen en de Cappella Sistina
(de Sixtijnse muziekkapel) in het bijzonder, omdat die nu eenmaal het belangrijkste
Romeinse muzikale centrum uit die tijd was. Het is vooral tijdens de eerste helft van de
16de eeuw, meer bepaald onder het bewind van paus Leo X (1513-1521) en Paulus
III (1534-1549), dat het muzikale niveau van de pauselijke muziekkapel een absoluut
hoogtepunt kent. Daartoe droeg een internationaal samengestelde groep van zangers en
componisten bij. Naast Fransen, Duitsers, Spanjaarden en Portugezen waren vooral ook
en dat al sinds de 15de eeuw de fiamminghi goed
vertegenwoordigd. Bekende en minder bekende namen als Josquin Desprez, Marbriano de Orto
en Gaspar van Weerbecke doen door hun uitvoering van polyfone muziek, maar ook van
gregoriaans én allerhande vormen van meerstemmige improvisatie de Cappella Sistina een
niveau bereiken, waarvoor ze door vele andere Italiaanse en ook Europese hoven meer dan
eens werden benijd.
In ettelijke werken brengen deze componisten expliciet hulde aan hun
broodheren. Een mooi voorbeeld daarvan is het monumentale, zesstemmige profane motet Gaude
felix Florentia van Andreas de Silva. Het werk is opgedragen aan de Medici-paus Leo X:
hij wordt hierin niet alleen expliciet bij naam genoemd, maar ook aangeduid als de
"ware dienaar van Christus en de opvolger van de apostel Petrus". Zoals recent
onderzoek heeft uitgewezen, verwerkt de Silva in de tenor van dit werk, die in lange,
uitgerokken notenwaarden een melodie voordraagt op de steeds terugkerende tekst
"Gaude felix Florentia", door de specifieke opeenvolging van noten op ingenieuze
wijze het wapenschild van de Medici-familie.
Muziek vormde daarnaast ook een perfekt vehikel waarmee de pausen zich
konden profileren ten aanzien van familie, vrienden en natuurlijk ook allerhande
religieuze en politieke hoogwaardigheidsbekleders. Zo is er bijvoorbeeld de prachtige
Medici-codex, die dateert van ongeveer 1518. Het handschrift is een geschenk van paus Leo
X aan zijn neef Lorenzo deMedici, hertog van Urbino, naar aanleiding van diens
huwelijk met Madeleine de la Tour dAuvergne. Dit omvangrijke handschrift bevat
werken van componisten die voornamelijk actief waren aan het pauselijke hof en aan het
Franse koningshof. Een van de topstukken uit dit manuscript is ongetwijfeld het
achtstemmige motet Nesciens mater van de Fransman Jean Mouton. Dit werk mag gerust
een contrapuntische tour de force worden genoemd: Mouton heeft zijn motet over de
Moeder Maagd namelijk volledig canonisch geconcipieerd. Dit wil zeggen dat hij vertrekt
van een vierstemmige basis en dat elk van die vier stemmen een paar tellen later
letterlijk wordt geïmiteerd door een andere stem, zodat een achtstemmig geheel ontstaat.
Het knappe is nu dat die verregaande techniciteit en complexiteit van Moutons compositie
de polyfone welluidendheid van het geheel niet in de weg staat, Integendeel, Nesciens
mater laat een heel vloeiende en emotioneel diepe totaalindruk na.
Maar het pauselijk mecenaat was niet alleen beperkt tot de min of meer
officiële instantie van de Cappella Sistina, maar nam ook andere vormen aan. Heel
interessant is het fenomeen van de zogenaamde musica secreta (lett.: geheime
muziek), muziek die werd gecomponeerd voor en uitgevoerd in de private pauselijke
vertrekken, en bedoeld was om slechts door een kleine elite van toehoorders te worden
bijgewoond. De voornaamste functie van die muziek was ontspanning, verstrooiing. Het is
dan ook niet toevallig dat tijdens deze privé-concerten naast religieuze muziek
vooral ook de eerder eenvoudigere wereldlijke muzikale genres aan bod
kwamen, zoals Italiaanse madrigalen, frottole en instrumentale werken. Zo is het
heel goed mogelijk dat het populaire, vierstemmige lied O passi sparsi! van de
componist Sebastiano Festa tijdens een van deze gelegenheden ten gehore werd gebracht. Het
stuk is gebaseerd op een sonnet van Francesco Petrarca en verloopt nagenoeg volledig
homofoon. Dit wil zeggen dat alle stemmen gelijktijdig dezelfde lettergrepen voordragen,
waardoor de tekst optimaal verstaanbaar is. Misschien schreef de muziekminnende paus Leo X
zijn vijfstemmige chanson Cela sans plus ook voor deze private kring van de musica
secreta? Helaas is dit werk zonder tekst overgeleverd we kennen alleen de
eerste lijn van het gedicht zodat het niet (of toch moeilijk) door een vocaal
ensemble kan worden uitgevoerd.
Een ander opmerkelijk aspect van de pauselijke macht betreft hun
controle over de carnavalsfeesten in de stad. Heel vaak werden tijdens carnavalsstoeten,
waarbij rijkelijk versierde praalwagens met verklede en gemaskerde mensen de revue
passeerden, liederen gezongen waarin allegorische figuren optraden, die het pauselijke
beleid uitvoerig prezen. Het is trouwens tijdens een van die gelegenheden dat de 15de-eeuwse
paus Pius II (1458-1464) de rijkdom van de Romeinse muziek ooit vergeleek met een
"paradiso di dolci canti e suoni" (paradijs van zoete gezangen en klanken). In
de 16de eeuw, vooral onder de heerschappij van paus Paulus III (reg.
1534-1549), dringen er ook vaak politieke en religieuze themas de carnavalsstoeten
binnen, en wordt er bijvoorbeeld heftig aan anti-turkse en contrareformatorische
propaganda gedaan.
Dat muziek tijdens deze stoeten een centrale rol speelde, hoeft niet te
verwonderen. Meer nog, er ontstond daardoor zelfs een eigen muziekgenre, namelijk dat van
de zogenaamde canti carnascialeschi (carnavalsliederen). Een mooi staaltje daarvan
is het anonieme vierstemmige Forestieri a la ventura. In dit lied prijzen
rondtrekkende zangers, die zijn aangekomen in het heilige Rome, hun muzikale kwaliteiten
aan en vertellen ze dat ze zowel overdag als s nachts liederen van de meest diverse
pluimage zingen om elk "vermoeid hart van zorgen te bevrijden". Hoewel het stuk
op zich erg eenvoudig geschreven is, bevat het enkele mooie passages die de inhoud van de
tekst met subtiele muzikale middelen weerspiegelen.
II. De kardinaalshoven en de Romeinse kerken
In het tweede luik verlaten we de pauselijke kringen en nemen een
kijkje in de vele kardinaalshoven en kerken die Rome rijk was. Hoewel we over het
muziekleven in de woningen van kardinalen relatief weinig weten, bezitten we uit de 16de
eeuw wel een literaire bron die daarover een aantal interessante uitspraken doet. In 1510
publiceert Paolo Cortese namelijk het traktaat De Cardinalatu (Over het
kardinaalschap). Dit boek is zowat te beschouwen als het religieuze equivalent van
Baldassare Castigliones welbekende geschrift Il cortegiano (De hoveling).
Cortese gaat immers in op de eigenschappen van (wat hij beschouwt als) de "ideale
kardinaal". Zo stelt hij bijvoorbeeld dat elke zichzelf respecterende kardinaal,
naast een hele resem koks, dienaren, zilversmeden en schilders, ook muzikanten in huis
moest hebben, die in een aparte muziekkamer konden musiceren. Van enkele welgestelde
kardinalen weten we inderdaad dat ze heel intensief bezig waren met muziekmecenaat. Muziek
vormde voor hen nu eenmaal, net zoals alle andere kunsten, een belangrijk prestige-object,
waarmee ze hun macht en hun belang konden onderstrepen.
Al in het midden van de 15de eeuw gaf kardinaal Pietro Barbo
(1418-1471) bijvoorbeeld de opdracht tot het vervaardigen van drie rijk verluchte
handschriften met gregoriaanse gezangen. Maar ook in de 16de eeuw ontstaan
enkele monumentale manuscripten. Zo laat Giulio deMedici, de latere paus Clemens VII
(1478-1534), handschriften met polyfone muziek maken, waarin voornamelijk composities van
de fiamminghi vertegenwoordigd zijn. Ook de Milanees Ascanio Sforza (1455-1505)
hield er blijkbaar een heel uitgelezen muzikale smaak op na, want bij hem was niemand
minder dan Josquin Desprez werkzaam, die tot ver in de 16de eeuw unaniem de
onvolprezen "princeps musicorum" (prins der muzikanten) werd genoemd. Ascanio
Sforza steunde daarnaast ook de dichter en luitspeler Serafino Aquilano, die onder meer
het vierstemmige Ite, sospiri, dove Amor mi vena componeerde. Het is een heel
droevig stuk, dat handelt over de pijn van een onbeantwoorde liefde. De terneergeslagen
sfeer die uit de tekst spreekt, vertaalt zich in de muziek (vooral dan in de bovenstem) in
overwegend dalende melodische lijnen.
Een andere illustere kardinaal was de uit Ferrara afkomstige Ippolito I
dEste (1479-1520), die vooral de muziekgeschiedenis is ingegaan als mecenas van de
jonge Adriaan Willaert. Willaert, die vanaf 1527 naam zou maken als kapelmeester van de
San Marco-basiliek in Venetië (een functie die hij tot aan zijn dood in 1562 zou
bekleden), schreef in Rome onder andere het zesstemmige motet Verbum bonum et suave.
Aan dit stuk is zelfs een anecdote verbonden, die vele jaren later door Gioseffo Zarlino,
een leerling van Willaert, is opgetekend. Toen enkele zangers van de pauselijke kapel op
een bepaald moment dit stuk aan het zingen waren, verkeerden ze blijkbaar in de
veronderstelling dat het geschreven was door hun beroemde collega Josquin Desprez. Maar
toen ze hoorden dat het een motet was van de toen nog relatief onbekende
Willaert, weigerden ze pertinent het werk nog langer te zingen! Zegt deze uitspraak ons in
de eerste plaats iets over de attitude van de muzikanten van de pauselijke kapel, dan zegt
ze evenveel over de stijl van Willaerts Verbum bonum et suave. In deze hymne op de
Maagd Maria baseert Willaert zich op de overeenkomstige gregoriaanse melodie van het Verbum
bonum et suave. Alleen al door de lengte van de tekst neemt dit motet monumentale
proporties aan (184 maten).
Ook een andere telg uit het Ferrarese Este-geslacht, namelijk Ippolito
II dEste (1509-1572), heeft zijn sporen in de muziekgeschiedenis nagelaten. Hij
hield er blijkbaar nogal uiteenlopende muzikale voorkeuren op na, want hij was enerzijds
mecenas van de behoudsgezinde componist Giovanni Pierluigi da Palestrina en anderzijds een
vurig aanhanger van de polemische, progressieve theoreticus en componist Nicola Vicentino.
De experimentele schrijfstijl waarvoor Vicentino rond het midden van de 16de
eeuw in een baanbrekend traktaat pleitte, komt ook tot uiting in zijn zevenstemmige
dialoog Amor ecco. Het madrigaal is heel sterk vanuit het spreekritme van de tekst
gedacht en bevat een aantal kleurrijke en verrassende muzikale passages.
De Vlaamse componisten waren zoals gezegd heel prominent aanwezig in de
Romeinse muzikale scène. Maar dat was niet voor iedereen even welkom. Dus startte men,
precies om dit overwicht van fiamminghi min of meer te counteren, al rond het begin
van de 16de eeuw behoedzaam met de oprichting van muziekkapellen aan een aantal
toonaangevende kerken in de stad, waarbij in hoofdzaak eigen, Italiaanse musici werden
geëngageerd. Zo ontstonden er onder meer muziekkapellen aan San Luigi dei Francesi
(°1514), San Giovanni in Laterano (°1524) en Santa Maria Maggiore (°ca. 1534). Het is
hier dat grote namen zoals Giovanni Pierluigi da Palestrina en Felice Anerio hun opleiding
genoten en er later ook als maestro di cappella werkzaam waren.
III. Excursus: de muziekdruk en het Concilie van Trente
In het derde luik staan we, bij wijze van excursus, stil bij twee
belangrijke feiten uit het Romeinse muziekleven in de 16de eeuw: 1) het
fenomeen van de muziekdruk en 2) het Concilie van Trente.
1) Het is onnodig om te zeggen dat er door het ontstaan van de
muziekdruk tijdens de eerste jaren van de 16de eeuw heel veel is veranderd.
Door het proces van de mechanische reproductie kon muziek nu sneller én in veel grotere
hoeveelheden worden gemaakt, gekocht en uitgevoerd. Dit is dan ook een groot verschil met
het tot dan toe overheersende gebruik van handschriften. Die waren niet alleen vaak
peperduur om te vervaardigen, maar ook door hun eenmalige karakter slechts voor een
relatief beperkte kring van mensen bestemd. Muziek werd dus in zekere zin een stukje
democratischer en door meer mensen genietbaar.
De geschiedenis van de muziekdruk in Rome was aanvankelijk geen echt
succesverhaal. De Romeinse drukkers moesten namelijk opboksen tegen de Venetiaanse
overmacht aan drukkers. De Romeinse drukkerswereld kent in de jaren 20 van de 16de
eeuw weliswaar een opbloei, maar die wordt in 1527 al snel geremd door de beruchte Sacco
di Roma, een politieke en economische crisis die er zelfs toe heeft geleid dat de
Romeinse muziekdrukpersen op een bepaald moment volledig stilvielen. Het is dan ook pas
vanaf de jaren 30 dat de muziekdruk in Rome echt goed op gang komt en dat men
monumentale verzamelingen begint te drukken die ook buiten Italië een grote bekendheid
zouden genieten. Valerio Dorico heeft bijvoorbeeld een aantal toonaangevende misbundels
van de Spaanse componist Cristobal de Morales uitgegeven, waaronder (in 1544) ook het
zogenaamde Missarum liber primus.
Dit eerste misboek van Morales bevat onder andere de zesstemmige Missa
Mille regretz. Deze mis is een zogenaamde parodiemis, een term die aangeeft dat het
werk gebaseerd is op een bestaande meerstemmige compositie, waaraan men ideeën en
motieven ontleent voor een nieuw werk, in dit geval een mis. Het uitgangspunt voor
Morales mis was, zoals de titel al aangeeft, het chanson Mille regretz van
Josquin Desprez. Dit melancholische chanson werd in een bepaalde bron "la canción
del Emperador" (het lied van de keizer) genoemd, zodat men aanneemt dat Morales zijn
mis mogelijk componeerde naar aanleiding van het bezoek van Karel V aan Rome in het jaar
1536. Morales verwerkt referenties aan dit beroemde chanson van Josquin in alle misdelen.
Al meteen aan het begin, in het Kyrie eleison, horen we heel duidelijk hoe het thema van Mille
regretz zich doorheen alle stemmen voortbeweegt.
Daarnaast gaf Dorico ook bundels met profane muziek uit, waaronder het Libro
primo de la serena (1530). Die collectie is in zoverre belangrijk, omdat hierin voor
het eerst de term "madrigaal" op de titelbladzijde wordt gebruikt. Men geeft
hiermee een wereldlijk genre aan op Italiaanse tekst (vaak van grote dichters zoals
Petrarca, Ariosto en Guarini). Het madrigaal neemt in de loop van de 16de eeuw
alsmaar aan belang toe en wordt in groeiende mate voor componisten een dankbaar
experimenteerterrein voor het uittesten van nieuwe stijlen en vormen van tekstexpressie.
Het Libro primo de la serena uit 1530 geeft daartoe dus een eerste aanzet. Een
representatief voorbeeld hieruit is het vierstemmige madrigaal Lieti fior van
Costanzo Festa. De tekst van dit stuk, in sonnetvorm, handelt over de tegenstelling tussen
de pracht van de natuur de bloemen, de bomen, de golven, de winden en het
verdriet van de door liefde gekwelde dichter. De muziek van Costanzo Festa is ondanks haar
eenvoud toch efficiënt: sprekend is bijvoorbeeld zijn behandeling van de woorden
"mormorar" (murmelen) en "dolore" (smart).
2) Had het ontstaan van de muziekdruk aanzienlijke consequenties voor
het muziekleven in Rome, dan kan dit niet minder worden gezegd van een ander fenomeen, dat
weliswaar van geheel andere aard is, namelijk het Concilie van Trente. Ook het Concilie,
dat zoals bekend een krachtig wederwoord wilde bieden aan het oprukkende belang van
godsdienstige reformatoren zoals Luther, heeft een cruciale stempel gedrukt op de muziek
in het 16de-eeuwse Rome. Hoewel de zittingen van het Concilie al in 1545 van
start gingen, stond pas tijdens de jaren 1562-1563 het thema van de kerkmuziek op het
programma. Na heel wat vergadersessies werden er uiteindelijk een aantal decreten
uitgevaardigd, waarmee men paal en perk wilde stellen aan verschillende "kwalen"
van de eigentijdse kerkmuziek. In de eerste plaats stuurde men erop aan om alle profane
invloeden en elementen uit de mismuziek te verwijderen. Dit was bijvoorbeeld het geval
wanneer een componist, zoals we daarnet bij de Missa Mille regretz van Cristobal de
Morales hebben gezien, een bestaand wereldlijk chanson of madrigaal als basis nam voor
zijn mis. Daarnaast drong men er ook op aan om de kerkmuziek te zuiveren van een overdadig
contrapunt en een te complexe schrijfstijl, zodat de religieuze boodschap door de gelovige
weer klaar en duidelijk kon worden gehoord.
Hoewel de concrete impact van het Tridentijnse Concilie op het
muziekleven in Italië ook niet overschat moet worden daarover is men het nu toch
min of meer eens zijn er toch een aantal componisten die, vooral in hun misoeuvre,
hun compositiestijl afstemmen op de wensen en voorschriften van de kerkheren. Zelfs in de
jaren 70 is dit soms nog het geval. Ook Vincenzo Ruffo stelt in het voorwoord tot
zijn vierde boek zesstemmige missen uit 1574 uitdrukkelijk dat hij met deze werken zijn
steentje wilde bijdragen tot de hervorming van de kerkmuziek en dat hij veel aandacht
heeft besteed aan de tekstverstaanbaarheid en het vrome karakter van de muziek. Uit deze
collectie stamt onder meer de Missa Sanctissimae Trinitatis (Heiligste
Drievuldigheid).
Maar niet iedereen in Rome was even gelukkig met de voorschriften van
het Tridentijnse Concilie. Vele kunstenaars, ook uit andere disciplines zoals de
schilderkunst en de theaterwereld, hadden het moeilijk met de restrictieve houding die de
kerk aannam. Denken we maar aan wat er gebeurde met de frescos van Michelangelo in
de Sixtijnse kapel ze werden bij wijze van correctie overschilderd en ingeruild
voor minder schaars geklede figuren of aan het kerkelijke verbod om komedies op te
voeren in private huizen. Een heleboel componisten vonden dat de muziek teveel in een
keurslijf werd gedrukt en dat hun stilistische vrijheid drastisch werd beperkt. Al deze
factoren lijken dan ook rechtstreeks verantwoordelijk te zijn geweest voor een ware exodus
van vooraanstaande componisten en musici. Omdat coryfeeën als Orlandus Lassus en
Philippus de Monte het klimaat in Rome tijdens deze periode te ongunstig vinden, zoeken ze
hun heil in andere steden en aan andere hoven, die voor hen betere condities boden.
IV. Colleges en broederschappen
In het vierde en laatste luik staat ten slotte de muzikale impact van
colleges en broederschappen in het 16de-eeuwse Rome centraal. Een positief
gevolg van het Tridentijnse Concilie was namelijk dat er in Rome verschillende nieuwe
religieuze verenigingen ontstonden, die muziek hoog in hun vaandel voerden.
Bij de uitbouw van een aantal colleges, die in de eerste plaats een
degelijk onderwijssysteem voor priesters wilden aanbieden, speelde de Jezuïetenorde een
cruciale rol. Zij beheerden onder meer het Collegium Germanicum (°1552), het Seminario
Romano (°1564) en het Collegio Inglese (°1579), allemaal instellingen die belangrijke
mecenassen zouden worden van muzikanten van diverse nationaliteiten. Hoewel de Jezuïeten
aanvankelijk vonden dat de aanwezigheid van muziek de aandacht van de gelovige afleidde
van de religieuze essentie, zag men al snel in dat door kwalitatief hoogstaande
muziekuitvoeringen het aantal kerkgangers drastisch steeg. Dit had dan weer tot gevolg dat
naast het gregoriaans ook de polyfonie een vast onderdeel ging uitmaken van de muzikale
training van de clerus. Het belang van muziek werd zelfs zo groot dat deze colleges in
staat waren om de meest gerenommeerde kapelmeesters aan te trekken. Palestrina was
bijvoorbeeld een tijdje actief aan het Seminario Romano (1566-1571), Tomas Luis da
Victoria had zowel de muzikale leiding in het Seminario Romano (1571-1573) als in het
Collegium Germanicum (1573-1578) en Felice Anerio was enkele jaren verbonden aan het
Collegio Inglese (ca. 1583/1584-1585).
Ook de broederschappen hadden een belangrijke uitwerking op de Romeinse
bevolking. Eigenlijk bestonden deze lekenverenigingen, die zich vooral toelegden op
zielezorg, caritatieve dienstverlening en spirituele oefeningen, al sinds de Middeleeuwen.
Typisch waren bijvoorbeeld broederschappen, waarbij mensen van eenzelfde nationaliteit
zich groepeerden. Maar wanneer zich, mede door toedoen van het Concilie van Trente, vanaf
de jaren 40 van de 16de eeuw steeds meer leden van de clerus en de hoge
adel aansluiten bij deze broederschappen, heeft dit ook aanzienlijke consequenties op
muzikaal vlak. Baanbrekend was bijvoorbeeld de oprichting van de zogenaamde
"Confraternità della Santissima Trinità" (Broederschap van de Heiligste
Drievuldigheid) in 1548 door de charismatische Filippo Neri. Hij zorgde er namelijk voor
dat het zingen van lauden oftewel religieuze lofzangen een cruciaal onderdeel werd van hun
geestelijke oefeningen, gebeden en preken. De lauda was sinds jaar en dag een heel
populaire muziekstijl in Neris geboortestad Firenze, en het is onder meer dankzij
het oeuvre van zijn stadsgenoot Giovanni Animuccia dat de lauda ook in Rome ruime
verspreiding zal kennen. Animuccia componeerde in 1577 zelfs een bundel, speciaal voor
Neris congregatie. Een mooi voorbeeld is hieruit is het driestemmige Lodate Dio.
Het stuk is helemaal homofoon geschreven en maakt gebruik van herhalingsstructuren. Deze
eenvoudige stijl maakt het dan ook tot een geschikt devotioneel instrument, dat de
gelovige direct kon aanspreken.
Naast de ontwikkeling van een repertoire van meerstemmige lauden gaat,
mede onder impuls van de broederschappen, ook een ander genre aan belang winnen, namelijk
dat van het madrigale spirituale of geestelijke madrigaal. Het is de religieuze
pendant van het profane Italiaanse madrigaal, waarbij componisten pogen om de voor het
madrigaal zo typische tekstexpressie hand in hand te laten gaan met devotionele
verdieping. Gelijkaardige tendensen vinden we trouwens ook terug in de literatuur en het
theater: ook daar nam de productie van zogenaamde rime spirituale en van het dramma
spirituale drastisch toe. Vele grote componisten hielpen om het madrigale spirituale uit
te laten groeien tot een genre van een hoge kwaliteit en met een hoge emotionele impact.
Een prachtig voorbeeld daarvan is Palestrinas cyclus met geestelijke madrigalen voor
de Maagd Maria, waaruit ook het schitterende Regina de le Vergini stamt.
Overzicht van de uitgevoerde composities
1. Het pauselijk hof
- Andreas de Silva: (prima pars uit) Gaude felix Florentia (6st.)
- Jean Mouton: Nesciens mater (8st.)
- Sebastiano Festa: O passi sparsi! (4st.)
- Anoniem: Forestieri a la ventura (4st.)
2. De kardinaalshoven en de Romeinse kerken
- Serafino Aquilano: Ite, sospiri, dove Amor mi vena (4st.)
- Adriaan Willaert: Verbum bonum et suave (6st.)
- Nicola Vicentino: Amor ecco (7st.)
3. Excursus: de muziekdruk en het Concilie van Trente
- Cristobal de Morales: Missa Mille regretz (6st.)
- Costanzo Festa: Lieti fiori (4st.)
- Vincenzo Ruffo: Missa Sanctissimae Trinitatis (6st.)
4. Colleges en broederschappen
- Felice Anerio: Christus factus est (4st.)
- Giovanni Animuccia: Lodate Dio (3st.)
- Giovanni Pierluigi da Palestrina: Regina de le Vergini (5st.)
Teksten en vertalingen van de gezongen werken
Gaude felix Florentia (Prima pars) Andreas de
Silva (ca. 1475-ca. 1530)
Gaude felix Florentia,
quae verum Christi vicarium
ac indubitatum Petri successorem obtinere meruisti:
Leonem decimum, qui ad regimen universalis ecclesiae
superna dispositione vocatus in illa cathedra,
quae numquam a fide recta deviasse cognoscitur collocatus est,
non ab apostolis et hominibus,
sed immediate a Deo potestatem habens,
custos judicans, ab nemine judicatur:
nec quisquam ei dicere valet: Cur ita facis?
Cantus firmus: Gaude felix Florentia.
Wees blij, gelukkig Firenze,
dat het verdiend heeft de ware dienaar
van Christus en de twijfelloze opvolger van Petrus te bezitten:
Leo X, die met opperste beschikking tot de heerschappij
van de universele kerk geroepen is,
is op deze stoel geplaatst, die zoals men erkent
nooit van het juiste geloof is afgeweken.
Niet van de apostelen en de mensen,
maar direct van God heeft hij de macht ontvangen,
en hij wordt als oordelende wachter door niemand beoordeeld:
en niemand is sterk genoeg om hem te zeggen: waarom doe je dit?
Cantus firmus: Wees blij, gelukkig Firenze.
Nesciens mater Jean Mouton (c. 1459-1522)
Nesciens mater virgo virum peperit sine dolore salvatorem
saeculorum, ipsum regem angelorum
Sola virgo lactabat ubera de caelo plena.
Onwetend heeft de Moeder Maagd zonder pijn
de redder der eeuwen gebaard de Koning van de engelen.
Alleen de Maagd gaf vanuit de hemel melk uit volle borst.
O passi sparsi! Sebastiano Festa (ca. 1495-1524)
O passi sparsi! O pensier vaghi e pronti!
O tenace memoria! o fero ardore!
o possente desire! o debil core!
oi occhi miei, occhi non già, ma fonti!
O fronde, onor de le famose fronti,
o sola insegna al gemino valore!
O faticosa vita, o dolce errore,
che mi fate ir cercando piagge e monti!
O bel viso, ove Amor inseme pose
gli sproni e l fren, ondel mi punge e volve,
come a lui piace, e calcitrar non vale!
O anime gentili et amorose,
salcuna ha l mondo, e voi nude ombre e polve,
deh, ristate a veder quale è l mio male.
O ijdele schreden! O vage en kolkende gedachten!
O hardnekkige herinnering! O brandende hartstocht!
O machtig verlangen! O wankel hart!
Ach mijn ogen, geen ogen meer, maar bronnen!
O laurierkrans, de eer van beroemde hoofden!
O enig waardigheidsteken van de dichterlijke roem
O uitputtend leven, o zoet dwalen
Dat mij dwingt om te gaan zoeken langs stranden en bergen!
O schoon gelaat waar liefde tegelijk plaatste
de sporen en de teugels waarmee ze me aanvuurt en wendt
Zoals zij wil, en tegensputteren helpt niet!
O minnende en verliefde zielen
Als er nog één in leven is, en jullie, naakte schimmen en stof,
Ach, sta even stil om te zien hoe groot mijn liefdessmart is.
Forestieri a la Ventura Anoniem
Forestieri a la ventura,
Giunti siam a Roma sancta,
Ciascheduno di nui si canta
A più modi cum misura.
Noi cantiamo per b molle,
Per b quadro, et per natura,
Cosa alcuna, nui non tolle
El cantar che, che sempre dura,
Cum ingegno e gran mesura
Giorno e note hor alto hor basso,
Ch'ogni cor afflicto e lasso
Levarem d'ogni altra cura.
O rondtrekkende vreemdelingen,
we zijn aangekomen in het heilige Rome,
Elkeen van ons zingt
Op verschillende wijzen met ritme
Wij zingen in het hexachordum molle,
durum en naturale
Geen enkele zaak kan ons afhouden
van het zingen dat, dat immer voortgaat
Met vuur en grote kunde
Overdag en s nachts, met hoge toon en met lage toon
Dat we elk bezwaard en vermoeid hart
Van elke andere zorg kunnen bevrijden.
Iti, suspiri, [là] dove Amor[e] vi mena Serafino Aquilano (1466-1500)
Iti, suspiri, [là] dove Amor[e] vi mena
e dite che per lei [la] mia vita è tolta,
chogni dolzeza me ha di dolor[i] piena,
per suo dipartire in pianto advolta.
Ma prima serà il mar[e] senza aqua o rena
che del mio cor[e] lei sia privata e sciolta,
che spero ancor[a] per lei soffrir[e] gran guerra
fin che ogne membro sia converso in terra.
Gaat, zuchten, daar waar de liefde u drijft
en zegt dat omwille van haar mijn leven stokt
dat elke zoetheid mij vervult met smart,
door haar vertrek is uitgemond in geween,
Maar eerder zal de zee droogvallen of het zeezand wegwaaien
dan dat zij uit mijn hart zou gebannen worden
dat ik hoop nog voor haar een grote oorlog te ondergaan
Tot al mijn ledenen teruggekeerd zijn naar de aarde
Verbum bonum et suave Adriaan Willaert (ca. 1490-1562)
Verbum bonum et suave,
Personemus illud ave,
Per quod Christi fit conclave,
Virgo mater filia.
Per quod ave salutata
Mox concepit fecundata
Virgo David stirpe nata,
Inter spinas lilia.
Ave, veri Salomonis
Mater, vellus Gedeonis,
Cuius magi tribus donis
Lauant puerperium.
Ave, solem genuisti,
Ave prolem protulisti,
mundo lapso contulisti
vitam et imperium.
Ave, sponsa verbi summi,
maris portus, signum dumi,
aromatum, virga fumi,
angelorum domina.
Supplicamus, nos emenda,
Emendatos nos commenda
Tuo natu ad habenda
Sempiterna gaudia. Alleluia.
Laten wij het "ave" doen weerklinken,
Dat mooie, zoete woord, waardoor
De Maagd, Moeder en Dochter,
Christus in zich mocht laten wonen.
Begroet met dat "ave" werd de Maagd,
geboren uit het geslacht van David,
vruchtbaar en heeft Zij ontvangen
lelies tussen de doornen.
Gegroet, Moeder van de ware Salomon,
Vacht van Gedeon,
met drievoudige geschenken
hebben de wijzen de geboorte van Uw Zoon verheerlijkt.
Gegroet, Gij hebt de zon gebaard,
gegroet, Gij hebt Uw kroost aan de wereld getoond,
Gij hebt het Leven en het Koninkrijk
gebracht in dit vervallen aardrijk.
Gegroet, Bruid van het Opperste Woord,
poort van de zee, teken van de heester,
welriekend met haar tak van rook,
Meesteres van de engelen.
Wij smeken U, genees ons,
en als wij genezen zijn,
beveel ons dan aan bij Uw Zoon,
zodat wij het eeuwig geluk mogen bezitten. Hallelujah.
Amor ecco Nicola Vicentino (1511- ca. 1576)
Amor ecco chio mor che ti tormenta,
lardor che nasce da i duo chiari rai,
come puo dar martir puo tragger guai,
una beltà che i cor nutre e contenta,
Veder per me pietà nel viso spenta
Forma questi sospir questi alti lai,
Taci, non ti doler che humil vedrai
tosto quel cor si altier chhor ti spaventa
Perche fai che fuggace disdegnosa
hognor si mostrin ver questalma trista
se tanto esser mi dee dolce pietosa
Acciò lamata sua leggiadra vista
ti sia poi cara sopra ogni altra cosa
che dolcèl ben che con martir se acquista.
Liefde, zie hoe ik sterf door jouw kwelling,
de gloed die straalt uit jouw twee heldere ogen,
zoals hij kan martelen, kan hij ook onheil aantrekken,
een schoonheid die het hart voedt en bevredigt.
Zien dat het medelijden voor mij in haar gelaat uitgedoofd is,
[dat] veroorzaakt deze zuchten en deze jammerklachten,
Zwijg, klaag niet, want deemoedig zul je weldra
dat trotse hart zien dat je nu schrik aanjaagt,
Waarom doe je zo, dat ze zich altijd ontwijkend en neerbuigend
toont tegenover deze arme ziel,
terwijl ze voor mij juist lief en vol mededogen zou moeten zijn.
Opdat haar zo geliefde en lieflijke blik
jou dierbaarder zou zijn dan wat dan ook,
want zoet is hetgeen men wint door beproeving.
Missa Mille Regretz (Kyrie) Christobal de Morales (ca. 1500-1553)
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.
Heer, ontferm U over ons,
Christus, ontferm U over ons,
Heer, ontferm U over ons.
Lieti fior Costanzo Festa (ca. 1490-1545)
Lieti fior, verdi frondi che solete,
Farvi del pianto mio sempre maggiori,
Freschherbe che di lei orma tenete,
Cui preme sol desio deterni onori,
Ripostombre, antri, foschi, onde quiete
Che dalle vostre fonti uscendo fuori,
Col vago mormorar, mi respondete,
Quando pietà vi vien di miei dolori,
Aure chal herbe il fresco ai fior le odore,
Gite furando a me quarele gravi,
Quando saranno arriva i miei martiri,
Or se per ben servir mer[i]to dolore,
Ricogliete voi lieti miei desiri,
Fior, frondi, herbe, ombre, antri, onde, aure suavi.
Lieflijke bloemen, groen gebladerte, jullie die plegen
mijn klagen steeds groter te maken
Frisse kruiden die de herinnering aan u vasthouden,
Die louter het verlangen wil naar eeuwige roem
Rust schaduwen, spelonken, somberte, golven, kalmte
Die uit uw bronnen opwelt,
Met vaag gemurmel, antwoord mij,
Wanneer er soelaas komt voor mijn verdriet,
Briesjes die aan het kruidgewas de frisheid, aan de bloemen de geur [geven],
Tochtjes door het razen van zware klachten tegen mij,
Wanneer mijn martelingen hun doel zullen bereikt hebben
Nu, als als ik door toegewijd [de liefde] te dienen verdriet verdien,
Verzamel jullie dan mijn verlangens,
Lieflijke bloemen, gebladerte, kruidgewas, schaduwen, spelonken, golven, aangename
briesjes
Missa Sanctissimae Trinitatis (Sanctus) Vincenzo Ruffo (ca. 1508-1587)
Sanctus, Sanctus, Sanctus,
Dominus Deus Sabaoth.
Pleni sunt caeli et terra gloria tua.
Hosanna in excelsis.
Benedictus qui venit in nomine Domini.
Hosanna in excelsis.
Heilig, Heilig, Heilig,
De Heer der hemelse machten,
Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid,
Hosanna in den hoge,
Gezegend hij die komt in de naam des Heren,
Hosanna in den hoge.
Christus factus est Felice Anerio (ca. 1560-1614)
Christus factus est pro nobis
obediens usque ad mortem autem crucis.
Propter quod et Deus exaltavit illum
et dedit illi nomen quod est super omne nomen.
Christus is voor ons mens geworden,
gehoorzaam zelfs tot aan zijn kruisdood.
Hiervoor heeft God hem verheven
en hem de naam gegeven die boven elke naam staat.
Lodate Dio Giovanni Animuccia (ca. 1500-1571)
Lodate Dio, col cuor humil et pio.
Su anime leggiadre vestitevi damore,
rendetal sommo Padre laude gloria et honore.
Lodate Dio...
Ringratiate il Signore con ogni buon desio.
Egli è quel somme bene, che vha tutti creati,
tratti di mortal pene, con sua morte salvati,
al ciel chiamati da Jesu dolce et pio.
Lodate Dio...
Loof God, met nederig en vroom hart.
Op, lieftallige zielen, kleed u met liefde,
breng lof en bewijs glorie en eer aan de opperste vader.
Loof God...
Dank de Heer met elk goed verlangen.
Hij is dat opperste goede, dat jullie allen heeft geschapen,
onttrokken heeft aan de dodelijke zonde, gered door zijn dood,
ter hemel geroepen door Jezus zoet en vroom.
Loof God...
Regina de le Vergini Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525/6-1594)
Regina de le Vergini e di tutte,
squadre beatissime de Santi,
dà chiio del cor di pietra e da lasciutte
mie lucci tragga ognhor sospiri e pianti.
E se de lama le virtù distrutte
fur dà vezzi del mondo e da gli incanti
de spirti rei, per te, mutando stato,
sospirando e piangendo io sia beato.
Koningin van maagden en van allen,
allerzaligste scharen van heiligen,
geef dat ik aan mijn stenen hart en aan mijn droge ogen
elk uur zuchten en tranen onttrek.
En moge ik, ook als de deugden van de ziel verwoest zijn
door de verlokkingen van de wereld en door de betovering
van kwade geesten, omwille van U, door mijn levensstijl te veranderen;
zuchtend en wenend zalig worden.
Selectieve literatuurlijst
K. Jeppesen, Die mehrstimmige italienische Laude um 1500 (Leipzig-Kopenhagen
1935).
H.-W. Frey, Regesten zur päpstlichen Kapelle unter Leo X. und zu seiner Privatkapelle,
Die Musikforschung 8 (1955), 58-73, 178-199, 412-437; 9 (1956), 46-57, 139-156,
411-419.
A. Ducrot, Histoire de la Cappella Giulia au XIVe siècle, depuis sa fondation par
Jules II (1513) jusquà sa restauration par Grégoire XIII (1578), Mélanges
darchéologie et dhistoire de lEcole française de Rome 75 (1963),
179-240, 467-559.
W. Rubsamen, From Frottola to Madrigal: The Changing Pattern of Secular Italian Vocal
Music, in J. Haar (uitg.), Chanson and Madrigal, 1480-1530 (Cambridge 1964), 51-87.
H.-W. Frey, Die Kapellmeister an der französischen Nationalkirche San Luigi dei
Francesi in Rom im 16. Jahrhundert, Archiv für Musikwissenschaft 22 (1965),
272-293.
L. Lockwood, Some Observations on the Commission of Cardinals and the Reform of Sacred
Music (1565), Quadrivium 7 (1966), 39-55.
E.E. Lowinsky (uitg.), The Medici Codex of 1518. A Choirbook of Motets Dedicated to
Lorenzo deMedici, Duke of Urbino, 3 vol. Monuments of Renaissance Music 3-5
(Chicago-Londen 1968).
H. E. Smither, Narrative and Dramatic Elements in the Laude Filippine, 1563-1600, Acta
Musicologica 41 (1969), 186-199.
T.D. Culley, Jesuits and Music: A Study of the Musicians Connected with the German
College in Rome during the 17th Century and of their Activities in Northern
Europe (Rome 1970).
L. Fiorani (uitg.), Riti, cerimonie, feste e vita di popolo nella Roma dei papi
(Bologna 1970).
P. Partner, Renaissance Rome 1500-1559: A Portrait of a Society
(Berkeley-California 1976).
T.D. Culley, Musical Activity in Some Sixteenth-Century Jesuit Colleges, with Special
Reference to the Venerable English College in Rome from 1579 to 1589, Analecta
Musicologica 19 (1979), 1-29.
A.-M. Bragard, Les musiciens ultramontains des chapelles du pape Médicis Leon X
(1513-1521), Bulletin de lInstitut Historique Belge de Rome 50 (1980),
187-215.
S.G. Cusick, Valerio Dorico: Music Printer in Sixteenth-Century Rome (s.l.: UMI
Research Press 1981).
A.-M. Bragard, La vie musicale à la cour du pape Médicis Clément VII (1523-1534), in
M.D. Grace (uitg.), A Festschrift for Albert Seay: Essays by his Friends and Colleagues
(Colorado Springs 1982), 45-70.
M.T. Bonadonna Russo, Musica e devozione nelloratorio di S. Filippo Neri, in R.
Lefevre (uitg.), Musica e musicisti nel Lazio. Lunario Romano 15 (Rome 1985),
145-166.
L. Lockwood, Adrian Willaert and Cardinal Ippolito I dEste: New Light on
Willaerts Early Career in Italy, 1515-1521, Early Music History 5 (1985),
85-112.
N. Pirrotta, "Dolci Affetti": I musici di Roma e il madrigale, Studi
musicali 14 (1985), 59-104.
R. Bruscagli, Trionfi e canti carnascialeschi del Rinascimento, 2 vol. (Rome
1986).
R. Sherr, The Medici Coat of Arms in a Motet for Leo X, Early Music 15 (1987),
31-35.
T.F. Kennedy, Jesuits and Music: Reconsidering the Early Years, Studi musicali
17 (1988), 71-100.
J.P. Couchman, Felice Anerios Music for the Church (Ph.D., University of
California 1989).
C. Reynolds, Rome: A City of Rich Contrast, in I. Fenlon (uitg.), The Renaissance
from the 1470s to the End of the 16th Century (Londen 1989), 63-101.
A. Morelli, "Il Tempio armonico". Musica nellOratorio dei Filippini
in Roma (1575-1705). Analecta Musicologica 27 (Laaber 1991).
P.F. Starr, Rome as a Centre of the Universe: Papal Grace and Musical Patronage, Early
Music History 11 (1992), 223-262.
A. Sanders-McFarland, Papal Singers, the Musica Segreta, and a Woman Musician at the
Papal Court: The View from the Private Treasury of Paul III, Studi musicali 24
(1995), 209-230.
W.F. Prizer, Facciamo pure noi carnevale: Non-Florentine Carnival Songs of the Late 15th
and Early 16th Centuries, in I. Alm, A. McLamore en C. Reardon (uitg.), Musica
franca: Essays in Honor of Frank DAccone (Stuyvesant, New York 1996), 173-211.
R. Sherr, Papal Music and Musicians in Late Medieval and Renaissance Rome
(Oxford 1998).
G. La Face Bianconi en A. Rossi, Le rime di Serafino Aquilano in musica. Studi e
testi per la storia della musica 13 (Firenze 1999).
A. Roth, Liturgische Musik im Dienste der maiestas papalis in re divina, Hochrenaissance
im Vatikan. Kunst und Kultur im Rom der Päpste 1503-1534, catalogus van de
gelijknamige tentoonstelling in de Kunst- und Ausstellungshalle Bonn, 11 december 1998-11
april 1999 (Bonn 1999), 162-170.
K. Pietschmann, Kirchenmusik zwischen Tradition und Reform. Die päpstliche
Sängerkapelle und ihr Repertoire im Pontifikat Pauls III. (1534-1549) (in druk).
|