AABR Logo

 

 

 


Home
Up

 


Il paradiso di dolci canti e suoni:
facetten van het muziekleven in het 16de-eeuwse Rome
Katelijne Schiltz

[Word versie met voetnoten]

I. Het pauselijk hof

Wie Rome zegt, zegt bijna automatisch het Vaticaan. Onze verkenningstocht van het muziekleven in het 16de-eeuwse Rome moet dan ook bijna noodzakelijkerwijze beginnen bij het pauselijk hof in het algemeen en de Cappella Sistina (de Sixtijnse muziekkapel) in het bijzonder, omdat die nu eenmaal het belangrijkste Romeinse muzikale centrum uit die tijd was. Het is vooral tijdens de eerste helft van de 16de eeuw, meer bepaald onder het bewind van paus Leo X (1513-1521) en Paulus III (1534-1549), dat het muzikale niveau van de pauselijke muziekkapel een absoluut hoogtepunt kent. Daartoe droeg een internationaal samengestelde groep van zangers en componisten bij. Naast Fransen, Duitsers, Spanjaarden en Portugezen waren vooral ook – en dat al sinds de 15de eeuw – de fiamminghi goed vertegenwoordigd. Bekende en minder bekende namen als Josquin Desprez, Marbriano de Orto en Gaspar van Weerbecke doen door hun uitvoering van polyfone muziek, maar ook van gregoriaans én allerhande vormen van meerstemmige improvisatie de Cappella Sistina een niveau bereiken, waarvoor ze door vele andere Italiaanse en ook Europese hoven meer dan eens werden benijd.

In ettelijke werken brengen deze componisten expliciet hulde aan hun broodheren. Een mooi voorbeeld daarvan is het monumentale, zesstemmige profane motet Gaude felix Florentia van Andreas de Silva. Het werk is opgedragen aan de Medici-paus Leo X: hij wordt hierin niet alleen expliciet bij naam genoemd, maar ook aangeduid als de "ware dienaar van Christus en de opvolger van de apostel Petrus". Zoals recent onderzoek heeft uitgewezen, verwerkt de Silva in de tenor van dit werk, die in lange, uitgerokken notenwaarden een melodie voordraagt op de steeds terugkerende tekst "Gaude felix Florentia", door de specifieke opeenvolging van noten op ingenieuze wijze het wapenschild van de Medici-familie.

Muziek vormde daarnaast ook een perfekt vehikel waarmee de pausen zich konden profileren ten aanzien van familie, vrienden en natuurlijk ook allerhande religieuze en politieke hoogwaardigheidsbekleders. Zo is er bijvoorbeeld de prachtige Medici-codex, die dateert van ongeveer 1518. Het handschrift is een geschenk van paus Leo X aan zijn neef Lorenzo de’Medici, hertog van Urbino, naar aanleiding van diens huwelijk met Madeleine de la Tour d’Auvergne. Dit omvangrijke handschrift bevat werken van componisten die voornamelijk actief waren aan het pauselijke hof en aan het Franse koningshof. Een van de topstukken uit dit manuscript is ongetwijfeld het achtstemmige motet Nesciens mater van de Fransman Jean Mouton. Dit werk mag gerust een contrapuntische tour de force worden genoemd: Mouton heeft zijn motet over de Moeder Maagd namelijk volledig canonisch geconcipieerd. Dit wil zeggen dat hij vertrekt van een vierstemmige basis en dat elk van die vier stemmen een paar tellen later letterlijk wordt geïmiteerd door een andere stem, zodat een achtstemmig geheel ontstaat. Het knappe is nu dat die verregaande techniciteit en complexiteit van Moutons compositie de polyfone welluidendheid van het geheel niet in de weg staat, Integendeel, Nesciens mater laat een heel vloeiende en emotioneel diepe totaalindruk na.

Maar het pauselijk mecenaat was niet alleen beperkt tot de min of meer officiële instantie van de Cappella Sistina, maar nam ook andere vormen aan. Heel interessant is het fenomeen van de zogenaamde musica secreta (lett.: geheime muziek), muziek die werd gecomponeerd voor en uitgevoerd in de private pauselijke vertrekken, en bedoeld was om slechts door een kleine elite van toehoorders te worden bijgewoond. De voornaamste functie van die muziek was ontspanning, verstrooiing. Het is dan ook niet toevallig dat tijdens deze privé-concerten – naast religieuze muziek – vooral ook de eerder ‘eenvoudigere’ wereldlijke muzikale genres aan bod kwamen, zoals Italiaanse madrigalen, frottole en instrumentale werken. Zo is het heel goed mogelijk dat het populaire, vierstemmige lied O passi sparsi! van de componist Sebastiano Festa tijdens een van deze gelegenheden ten gehore werd gebracht. Het stuk is gebaseerd op een sonnet van Francesco Petrarca en verloopt nagenoeg volledig homofoon. Dit wil zeggen dat alle stemmen gelijktijdig dezelfde lettergrepen voordragen, waardoor de tekst optimaal verstaanbaar is. Misschien schreef de muziekminnende paus Leo X zijn vijfstemmige chanson Cela sans plus ook voor deze private kring van de musica secreta? Helaas is dit werk zonder tekst overgeleverd – we kennen alleen de eerste lijn van het gedicht – zodat het niet (of toch moeilijk) door een vocaal ensemble kan worden uitgevoerd.

Een ander opmerkelijk aspect van de pauselijke macht betreft hun controle over de carnavalsfeesten in de stad. Heel vaak werden tijdens carnavalsstoeten, waarbij rijkelijk versierde praalwagens met verklede en gemaskerde mensen de revue passeerden, liederen gezongen waarin allegorische figuren optraden, die het pauselijke beleid uitvoerig prezen. Het is trouwens tijdens een van die gelegenheden dat de 15de-eeuwse paus Pius II (1458-1464) de rijkdom van de Romeinse muziek ooit vergeleek met een "paradiso di dolci canti e suoni" (paradijs van zoete gezangen en klanken). In de 16de eeuw, vooral onder de heerschappij van paus Paulus III (reg. 1534-1549), dringen er ook vaak politieke en religieuze thema’s de carnavalsstoeten binnen, en wordt er bijvoorbeeld heftig aan anti-turkse en contrareformatorische propaganda gedaan.

Dat muziek tijdens deze stoeten een centrale rol speelde, hoeft niet te verwonderen. Meer nog, er ontstond daardoor zelfs een eigen muziekgenre, namelijk dat van de zogenaamde canti carnascialeschi (carnavalsliederen). Een mooi staaltje daarvan is het anonieme vierstemmige Forestieri a la ventura. In dit lied prijzen rondtrekkende zangers, die zijn aangekomen in het heilige Rome, hun muzikale kwaliteiten aan en vertellen ze dat ze zowel overdag als ’s nachts liederen van de meest diverse pluimage zingen om elk "vermoeid hart van zorgen te bevrijden". Hoewel het stuk op zich erg eenvoudig geschreven is, bevat het enkele mooie passages die de inhoud van de tekst met subtiele muzikale middelen weerspiegelen.

II. De kardinaalshoven en de Romeinse kerken

In het tweede luik verlaten we de pauselijke kringen en nemen een kijkje in de vele kardinaalshoven en kerken die Rome rijk was. Hoewel we over het muziekleven in de woningen van kardinalen relatief weinig weten, bezitten we uit de 16de eeuw wel een literaire bron die daarover een aantal interessante uitspraken doet. In 1510 publiceert Paolo Cortese namelijk het traktaat De Cardinalatu (Over het kardinaalschap). Dit boek is zowat te beschouwen als het religieuze equivalent van Baldassare Castiglione’s welbekende geschrift Il cortegiano (De hoveling). Cortese gaat immers in op de eigenschappen van (wat hij beschouwt als) de "ideale kardinaal". Zo stelt hij bijvoorbeeld dat elke zichzelf respecterende kardinaal, naast een hele resem koks, dienaren, zilversmeden en schilders, ook muzikanten in huis moest hebben, die in een aparte muziekkamer konden musiceren. Van enkele welgestelde kardinalen weten we inderdaad dat ze heel intensief bezig waren met muziekmecenaat. Muziek vormde voor hen nu eenmaal, net zoals alle andere kunsten, een belangrijk prestige-object, waarmee ze hun macht en hun belang konden onderstrepen.

Al in het midden van de 15de eeuw gaf kardinaal Pietro Barbo (1418-1471) bijvoorbeeld de opdracht tot het vervaardigen van drie rijk verluchte handschriften met gregoriaanse gezangen. Maar ook in de 16de eeuw ontstaan enkele monumentale manuscripten. Zo laat Giulio de’Medici, de latere paus Clemens VII (1478-1534), handschriften met polyfone muziek maken, waarin voornamelijk composities van de fiamminghi vertegenwoordigd zijn. Ook de Milanees Ascanio Sforza (1455-1505) hield er blijkbaar een heel uitgelezen muzikale smaak op na, want bij hem was niemand minder dan Josquin Desprez werkzaam, die tot ver in de 16de eeuw unaniem de onvolprezen "princeps musicorum" (prins der muzikanten) werd genoemd. Ascanio Sforza steunde daarnaast ook de dichter en luitspeler Serafino Aquilano, die onder meer het vierstemmige Ite, sospiri, dove Amor mi vena componeerde. Het is een heel droevig stuk, dat handelt over de pijn van een onbeantwoorde liefde. De terneergeslagen sfeer die uit de tekst spreekt, vertaalt zich in de muziek (vooral dan in de bovenstem) in overwegend dalende melodische lijnen.

Een andere illustere kardinaal was de uit Ferrara afkomstige Ippolito I d’Este (1479-1520), die vooral de muziekgeschiedenis is ingegaan als mecenas van de jonge Adriaan Willaert. Willaert, die vanaf 1527 naam zou maken als kapelmeester van de San Marco-basiliek in Venetië (een functie die hij tot aan zijn dood in 1562 zou bekleden), schreef in Rome onder andere het zesstemmige motet Verbum bonum et suave. Aan dit stuk is zelfs een anecdote verbonden, die vele jaren later door Gioseffo Zarlino, een leerling van Willaert, is opgetekend. Toen enkele zangers van de pauselijke kapel op een bepaald moment dit stuk aan het zingen waren, verkeerden ze blijkbaar in de veronderstelling dat het geschreven was door hun beroemde collega Josquin Desprez. Maar toen ze hoorden dat het een motet was van de – toen nog relatief onbekende – Willaert, weigerden ze pertinent het werk nog langer te zingen! Zegt deze uitspraak ons in de eerste plaats iets over de attitude van de muzikanten van de pauselijke kapel, dan zegt ze evenveel over de stijl van Willaerts Verbum bonum et suave. In deze hymne op de Maagd Maria baseert Willaert zich op de overeenkomstige gregoriaanse melodie van het Verbum bonum et suave. Alleen al door de lengte van de tekst neemt dit motet monumentale proporties aan (184 maten).

Ook een andere telg uit het Ferrarese Este-geslacht, namelijk Ippolito II d’Este (1509-1572), heeft zijn sporen in de muziekgeschiedenis nagelaten. Hij hield er blijkbaar nogal uiteenlopende muzikale voorkeuren op na, want hij was enerzijds mecenas van de behoudsgezinde componist Giovanni Pierluigi da Palestrina en anderzijds een vurig aanhanger van de polemische, progressieve theoreticus en componist Nicola Vicentino. De experimentele schrijfstijl waarvoor Vicentino rond het midden van de 16de eeuw in een baanbrekend traktaat pleitte, komt ook tot uiting in zijn zevenstemmige dialoog Amor ecco. Het madrigaal is heel sterk vanuit het spreekritme van de tekst gedacht en bevat een aantal kleurrijke en verrassende muzikale passages.

De Vlaamse componisten waren zoals gezegd heel prominent aanwezig in de Romeinse muzikale scène. Maar dat was niet voor iedereen even welkom. Dus startte men, precies om dit overwicht van fiamminghi min of meer te counteren, al rond het begin van de 16de eeuw behoedzaam met de oprichting van muziekkapellen aan een aantal toonaangevende kerken in de stad, waarbij in hoofdzaak eigen, Italiaanse musici werden geëngageerd. Zo ontstonden er onder meer muziekkapellen aan San Luigi dei Francesi (°1514), San Giovanni in Laterano (°1524) en Santa Maria Maggiore (°ca. 1534). Het is hier dat grote namen zoals Giovanni Pierluigi da Palestrina en Felice Anerio hun opleiding genoten en er later ook als maestro di cappella werkzaam waren.

III. Excursus: de muziekdruk en het Concilie van Trente

In het derde luik staan we, bij wijze van excursus, stil bij twee belangrijke feiten uit het Romeinse muziekleven in de 16de eeuw: 1) het fenomeen van de muziekdruk en 2) het Concilie van Trente.

1) Het is onnodig om te zeggen dat er door het ontstaan van de muziekdruk tijdens de eerste jaren van de 16de eeuw heel veel is veranderd. Door het proces van de mechanische reproductie kon muziek nu sneller én in veel grotere hoeveelheden worden gemaakt, gekocht en uitgevoerd. Dit is dan ook een groot verschil met het tot dan toe overheersende gebruik van handschriften. Die waren niet alleen vaak peperduur om te vervaardigen, maar ook door hun eenmalige karakter slechts voor een relatief beperkte kring van mensen bestemd. Muziek werd dus in zekere zin een stukje democratischer en door meer mensen genietbaar.

De geschiedenis van de muziekdruk in Rome was aanvankelijk geen echt succesverhaal. De Romeinse drukkers moesten namelijk opboksen tegen de Venetiaanse overmacht aan drukkers. De Romeinse drukkerswereld kent in de jaren ’20 van de 16de eeuw weliswaar een opbloei, maar die wordt in 1527 al snel geremd door de beruchte Sacco di Roma, een politieke en economische crisis die er zelfs toe heeft geleid dat de Romeinse muziekdrukpersen op een bepaald moment volledig stilvielen. Het is dan ook pas vanaf de jaren ’30 dat de muziekdruk in Rome echt goed op gang komt en dat men monumentale verzamelingen begint te drukken die ook buiten Italië een grote bekendheid zouden genieten. Valerio Dorico heeft bijvoorbeeld een aantal toonaangevende misbundels van de Spaanse componist Cristobal de Morales uitgegeven, waaronder (in 1544) ook het zogenaamde Missarum liber primus.

Dit eerste misboek van Morales bevat onder andere de zesstemmige Missa Mille regretz. Deze mis is een zogenaamde parodiemis, een term die aangeeft dat het werk gebaseerd is op een bestaande meerstemmige compositie, waaraan men ideeën en motieven ontleent voor een nieuw werk, in dit geval een mis. Het uitgangspunt voor Morales’ mis was, zoals de titel al aangeeft, het chanson Mille regretz van Josquin Desprez. Dit melancholische chanson werd in een bepaalde bron "la canción del Emperador" (het lied van de keizer) genoemd, zodat men aanneemt dat Morales zijn mis mogelijk componeerde naar aanleiding van het bezoek van Karel V aan Rome in het jaar 1536. Morales verwerkt referenties aan dit beroemde chanson van Josquin in alle misdelen. Al meteen aan het begin, in het Kyrie eleison, horen we heel duidelijk hoe het thema van Mille regretz zich doorheen alle stemmen voortbeweegt.

Daarnaast gaf Dorico ook bundels met profane muziek uit, waaronder het Libro primo de la serena (1530). Die collectie is in zoverre belangrijk, omdat hierin voor het eerst de term "madrigaal" op de titelbladzijde wordt gebruikt. Men geeft hiermee een wereldlijk genre aan op Italiaanse tekst (vaak van grote dichters zoals Petrarca, Ariosto en Guarini). Het madrigaal neemt in de loop van de 16de eeuw alsmaar aan belang toe en wordt in groeiende mate voor componisten een dankbaar experimenteerterrein voor het uittesten van nieuwe stijlen en vormen van tekstexpressie. Het Libro primo de la serena uit 1530 geeft daartoe dus een eerste aanzet. Een representatief voorbeeld hieruit is het vierstemmige madrigaal Lieti fior van Costanzo Festa. De tekst van dit stuk, in sonnetvorm, handelt over de tegenstelling tussen de pracht van de natuur – de bloemen, de bomen, de golven, de winden – en het verdriet van de door liefde gekwelde dichter. De muziek van Costanzo Festa is ondanks haar eenvoud toch efficiënt: sprekend is bijvoorbeeld zijn behandeling van de woorden "mormorar" (murmelen) en "dolore" (smart).

2) Had het ontstaan van de muziekdruk aanzienlijke consequenties voor het muziekleven in Rome, dan kan dit niet minder worden gezegd van een ander fenomeen, dat weliswaar van geheel andere aard is, namelijk het Concilie van Trente. Ook het Concilie, dat zoals bekend een krachtig wederwoord wilde bieden aan het oprukkende belang van godsdienstige reformatoren zoals Luther, heeft een cruciale stempel gedrukt op de muziek in het 16de-eeuwse Rome. Hoewel de zittingen van het Concilie al in 1545 van start gingen, stond pas tijdens de jaren 1562-1563 het thema van de kerkmuziek op het programma. Na heel wat vergadersessies werden er uiteindelijk een aantal decreten uitgevaardigd, waarmee men paal en perk wilde stellen aan verschillende "kwalen" van de eigentijdse kerkmuziek. In de eerste plaats stuurde men erop aan om alle profane invloeden en elementen uit de mismuziek te verwijderen. Dit was bijvoorbeeld het geval wanneer een componist, zoals we daarnet bij de Missa Mille regretz van Cristobal de Morales hebben gezien, een bestaand wereldlijk chanson of madrigaal als basis nam voor zijn mis. Daarnaast drong men er ook op aan om de kerkmuziek te zuiveren van een overdadig contrapunt en een te complexe schrijfstijl, zodat de religieuze boodschap door de gelovige weer klaar en duidelijk kon worden gehoord.

Hoewel de concrete impact van het Tridentijnse Concilie op het muziekleven in Italië ook niet overschat moet worden – daarover is men het nu toch min of meer eens – zijn er toch een aantal componisten die, vooral in hun misoeuvre, hun compositiestijl afstemmen op de wensen en voorschriften van de kerkheren. Zelfs in de jaren ’70 is dit soms nog het geval. Ook Vincenzo Ruffo stelt in het voorwoord tot zijn vierde boek zesstemmige missen uit 1574 uitdrukkelijk dat hij met deze werken zijn steentje wilde bijdragen tot de hervorming van de kerkmuziek en dat hij veel aandacht heeft besteed aan de tekstverstaanbaarheid en het vrome karakter van de muziek. Uit deze collectie stamt onder meer de Missa Sanctissimae Trinitatis (Heiligste Drievuldigheid).

Maar niet iedereen in Rome was even gelukkig met de voorschriften van het Tridentijnse Concilie. Vele kunstenaars, ook uit andere disciplines zoals de schilderkunst en de theaterwereld, hadden het moeilijk met de restrictieve houding die de kerk aannam. Denken we maar aan wat er gebeurde met de fresco’s van Michelangelo in de Sixtijnse kapel – ze werden bij wijze van correctie overschilderd en ingeruild voor minder schaars geklede figuren – of aan het kerkelijke verbod om komedies op te voeren in private huizen. Een heleboel componisten vonden dat de muziek teveel in een keurslijf werd gedrukt en dat hun stilistische vrijheid drastisch werd beperkt. Al deze factoren lijken dan ook rechtstreeks verantwoordelijk te zijn geweest voor een ware exodus van vooraanstaande componisten en musici. Omdat coryfeeën als Orlandus Lassus en Philippus de Monte het klimaat in Rome tijdens deze periode te ongunstig vinden, zoeken ze hun heil in andere steden en aan andere hoven, die voor hen betere condities boden.

IV. Colleges en broederschappen

In het vierde en laatste luik staat ten slotte de muzikale impact van colleges en broederschappen in het 16de-eeuwse Rome centraal. Een positief gevolg van het Tridentijnse Concilie was namelijk dat er in Rome verschillende nieuwe religieuze verenigingen ontstonden, die muziek hoog in hun vaandel voerden.

Bij de uitbouw van een aantal colleges, die in de eerste plaats een degelijk onderwijssysteem voor priesters wilden aanbieden, speelde de Jezuïetenorde een cruciale rol. Zij beheerden onder meer het Collegium Germanicum (°1552), het Seminario Romano (°1564) en het Collegio Inglese (°1579), allemaal instellingen die belangrijke mecenassen zouden worden van muzikanten van diverse nationaliteiten. Hoewel de Jezuïeten aanvankelijk vonden dat de aanwezigheid van muziek de aandacht van de gelovige afleidde van de religieuze essentie, zag men al snel in dat door kwalitatief hoogstaande muziekuitvoeringen het aantal kerkgangers drastisch steeg. Dit had dan weer tot gevolg dat naast het gregoriaans ook de polyfonie een vast onderdeel ging uitmaken van de muzikale training van de clerus. Het belang van muziek werd zelfs zo groot dat deze colleges in staat waren om de meest gerenommeerde kapelmeesters aan te trekken. Palestrina was bijvoorbeeld een tijdje actief aan het Seminario Romano (1566-1571), Tomas Luis da Victoria had zowel de muzikale leiding in het Seminario Romano (1571-1573) als in het Collegium Germanicum (1573-1578) en Felice Anerio was enkele jaren verbonden aan het Collegio Inglese (ca. 1583/1584-1585).

Ook de broederschappen hadden een belangrijke uitwerking op de Romeinse bevolking. Eigenlijk bestonden deze lekenverenigingen, die zich vooral toelegden op zielezorg, caritatieve dienstverlening en spirituele oefeningen, al sinds de Middeleeuwen. Typisch waren bijvoorbeeld broederschappen, waarbij mensen van eenzelfde nationaliteit zich groepeerden. Maar wanneer zich, mede door toedoen van het Concilie van Trente, vanaf de jaren ‘40 van de 16de eeuw steeds meer leden van de clerus en de hoge adel aansluiten bij deze broederschappen, heeft dit ook aanzienlijke consequenties op muzikaal vlak. Baanbrekend was bijvoorbeeld de oprichting van de zogenaamde "Confraternità della Santissima Trinità" (Broederschap van de Heiligste Drievuldigheid) in 1548 door de charismatische Filippo Neri. Hij zorgde er namelijk voor dat het zingen van lauden oftewel religieuze lofzangen een cruciaal onderdeel werd van hun geestelijke oefeningen, gebeden en preken. De lauda was sinds jaar en dag een heel populaire muziekstijl in Neri’s geboortestad Firenze, en het is onder meer dankzij het oeuvre van zijn stadsgenoot Giovanni Animuccia dat de lauda ook in Rome ruime verspreiding zal kennen. Animuccia componeerde in 1577 zelfs een bundel, speciaal voor Neri’s congregatie. Een mooi voorbeeld is hieruit is het driestemmige Lodate Dio. Het stuk is helemaal homofoon geschreven en maakt gebruik van herhalingsstructuren. Deze eenvoudige stijl maakt het dan ook tot een geschikt devotioneel instrument, dat de gelovige direct kon aanspreken.

Naast de ontwikkeling van een repertoire van meerstemmige lauden gaat, mede onder impuls van de broederschappen, ook een ander genre aan belang winnen, namelijk dat van het madrigale spirituale of geestelijke madrigaal. Het is de religieuze pendant van het profane Italiaanse madrigaal, waarbij componisten pogen om de voor het madrigaal zo typische tekstexpressie hand in hand te laten gaan met devotionele verdieping. Gelijkaardige tendensen vinden we trouwens ook terug in de literatuur en het theater: ook daar nam de productie van zogenaamde rime spirituale en van het dramma spirituale drastisch toe. Vele grote componisten hielpen om het madrigale spirituale uit te laten groeien tot een genre van een hoge kwaliteit en met een hoge emotionele impact. Een prachtig voorbeeld daarvan is Palestrina’s cyclus met geestelijke madrigalen voor de Maagd Maria, waaruit ook het schitterende Regina de le Vergini stamt.

Overzicht van de uitgevoerde composities

1. Het pauselijk hof

- Andreas de Silva: (prima pars uit) Gaude felix Florentia (6st.)

- Jean Mouton: Nesciens mater (8st.)

- Sebastiano Festa: O passi sparsi! (4st.)

- Anoniem: Forestieri a la ventura (4st.)

2. De kardinaalshoven en de Romeinse kerken

- Serafino Aquilano: Ite, sospiri, dove Amor mi vena (4st.)

- Adriaan Willaert: Verbum bonum et suave (6st.)

- Nicola Vicentino: Amor ecco (7st.)

3. Excursus: de muziekdruk en het Concilie van Trente

- Cristobal de Morales: Missa Mille regretz (6st.)

- Costanzo Festa: Lieti fiori (4st.)

- Vincenzo Ruffo: Missa Sanctissimae Trinitatis (6st.)

4. Colleges en broederschappen

- Felice Anerio: Christus factus est (4st.)

- Giovanni Animuccia: Lodate Dio (3st.)

- Giovanni Pierluigi da Palestrina: Regina de le Vergini (5st.)

 

Teksten en vertalingen van de gezongen werken

Gaude felix Florentia (Prima pars) – Andreas de Silva (ca. 1475-ca. 1530)

Gaude felix Florentia,

quae verum Christi vicarium

ac indubitatum Petri successorem obtinere meruisti:

Leonem decimum, qui ad regimen universalis ecclesiae

superna dispositione vocatus in illa cathedra,

quae numquam a fide recta deviasse cognoscitur collocatus est,

non ab apostolis et hominibus,

sed immediate a Deo potestatem habens,

custos judicans, ab nemine judicatur:

nec quisquam ei dicere valet: Cur ita facis?

Cantus firmus: Gaude felix Florentia.

Wees blij, gelukkig Firenze,

dat het verdiend heeft de ware dienaar

van Christus en de twijfelloze opvolger van Petrus te bezitten:

Leo X, die met opperste beschikking tot de heerschappij

van de universele kerk geroepen is,

is op deze stoel geplaatst, die – zoals men erkent –

nooit van het juiste geloof is afgeweken.

Niet van de apostelen en de mensen,

maar direct van God heeft hij de macht ontvangen,

en hij wordt als oordelende wachter door niemand beoordeeld:

en niemand is sterk genoeg om hem te zeggen: waarom doe je dit?

Cantus firmus: Wees blij, gelukkig Firenze.

 

Nesciens mater – Jean Mouton (c. 1459-1522)

Nesciens mater virgo virum peperit sine dolore salvatorem

saeculorum, ipsum regem angelorum

Sola virgo lactabat ubera de caelo plena.

Onwetend heeft de Moeder Maagd zonder pijn

de redder der eeuwen gebaard de Koning van de engelen.

Alleen de Maagd gaf vanuit de hemel melk uit volle borst.

 

O passi sparsi! – Sebastiano Festa (ca. 1495-1524)

O passi sparsi! O pensier vaghi e pronti!

O tenace memoria! o fero ardore!

o possente desire! o debil core!

oi occhi miei, occhi non già, ma fonti!

O fronde, onor de le famose fronti,

o sola insegna al gemino valore!

O faticosa vita, o dolce errore,

che mi fate ir cercando piagge e monti!

O bel viso, ove Amor inseme pose

gli sproni e ’l fren, ond’el mi punge e volve,

come a lui piace, e calcitrar non vale!

O anime gentili et amorose,

s’alcuna ha ’l mondo, e voi nude ombre e polve,

deh, ristate a veder quale è ’l mio male.

O ijdele schreden! O vage en kolkende gedachten!

O hardnekkige herinnering! O brandende hartstocht!

O machtig verlangen! O wankel hart!

Ach mijn ogen, geen ogen meer, maar bronnen!

O laurierkrans, de eer van beroemde hoofden!

O enig waardigheidsteken van de dichterlijke roem

O uitputtend leven, o zoet dwalen

Dat mij dwingt om te gaan zoeken langs stranden en bergen!

O schoon gelaat waar liefde tegelijk plaatste

de sporen en de teugels waarmee ze me aanvuurt en wendt

Zoals zij wil, en tegensputteren helpt niet!

O minnende en verliefde zielen

Als er nog één in leven is, en jullie, naakte schimmen en stof,

Ach, sta even stil om te zien hoe groot mijn liefdessmart is.

 

Forestieri a la Ventura – Anoniem

Forestieri a la ventura,

Giunti siam a Roma sancta,

Ciascheduno di nui si canta

A più modi cum misura.

Noi cantiamo per b molle,

Per b quadro, et per natura,

Cosa alcuna, nui non tolle

El cantar che, che sempre dura,

Cum ingegno e gran mesura

Giorno e note hor alto hor basso,

Ch'ogni cor afflicto e lasso

Levarem d'ogni altra cura.

O rondtrekkende vreemdelingen,

we zijn aangekomen in het heilige Rome,

Elkeen van ons zingt

Op verschillende wijzen met ritme

Wij zingen in het hexachordum molle,

durum en naturale

Geen enkele zaak kan ons afhouden

van het zingen dat, dat immer voortgaat

Met vuur en grote kunde

Overdag en ’s nachts, met hoge toon en met lage toon

Dat we elk bezwaard en vermoeid hart

Van elke andere zorg kunnen bevrijden.

 

Iti, suspiri, [là] dove Amor[e] vi mena – Serafino Aquilano (1466-1500)

Iti, suspiri, [là] dove Amor[e] vi mena

e dite che per lei [la] mia vita è tolta,

ch’ogni dolzeza me ha di dolor[i] piena,

per suo dipartire in pianto advolta.

Ma prima serà il mar[e] senza aqua o rena

che del mio cor[e] lei sia privata e sciolta,

che spero ancor[a] per lei soffrir[e] gran guerra

fin che ogne membro sia converso in terra.

Gaat, zuchten, daar waar de liefde u drijft

en zegt dat omwille van haar mijn leven stokt

dat elke zoetheid mij vervult met smart,

door haar vertrek is uitgemond in geween,

Maar eerder zal de zee droogvallen of het zeezand wegwaaien

dan dat zij uit mijn hart zou gebannen worden

dat ik hoop nog voor haar een grote oorlog te ondergaan

Tot al mijn ledenen teruggekeerd zijn naar de aarde

 

Verbum bonum et suave – Adriaan Willaert (ca. 1490-1562)

Verbum bonum et suave,

Personemus illud ave,

Per quod Christi fit conclave,

Virgo mater filia.

Per quod ave salutata

Mox concepit fecundata

Virgo David stirpe nata,

Inter spinas lilia.

Ave, veri Salomonis

Mater, vellus Gedeonis,

Cuius magi tribus donis

Lauant puerperium.

Ave, solem genuisti,

Ave prolem protulisti,

mundo lapso contulisti

vitam et imperium.

Ave, sponsa verbi summi,

maris portus, signum dumi,

aromatum, virga fumi,

angelorum domina.

Supplicamus, nos emenda,

Emendatos nos commenda

Tuo natu ad habenda

Sempiterna gaudia. Alleluia.

Laten wij het "ave" doen weerklinken,

Dat mooie, zoete woord, waardoor

De Maagd, Moeder en Dochter,

Christus in zich mocht laten wonen.

Begroet met dat "ave" werd de Maagd,

geboren uit het geslacht van David,

vruchtbaar en heeft Zij ontvangen

lelies tussen de doornen.

Gegroet, Moeder van de ware Salomon,

Vacht van Gedeon,

met drievoudige geschenken

hebben de wijzen de geboorte van Uw Zoon verheerlijkt.

Gegroet, Gij hebt de zon gebaard,

gegroet, Gij hebt Uw kroost aan de wereld getoond,

Gij hebt het Leven en het Koninkrijk

gebracht in dit vervallen aardrijk.

Gegroet, Bruid van het Opperste Woord,

poort van de zee, teken van de heester,

welriekend met haar tak van rook,

Meesteres van de engelen.

Wij smeken U, genees ons,

en als wij genezen zijn,

beveel ons dan aan bij Uw Zoon,

zodat wij het eeuwig geluk mogen bezitten. Hallelujah.

 

Amor ecco – Nicola Vicentino (1511- ca. 1576)

Amor ecco ch’io mor che ti tormenta,

l’ardor che nasce da i duo chiari rai,

come puo dar martir puo tragger guai,

una beltà che i cor nutre e contenta,

Veder per me pietà nel viso spenta

Forma questi sospir questi alti lai,

Taci, non ti doler che humil vedrai

tosto quel cor si altier ch’hor ti spaventa

Perche fai che fuggac’e disdegnosa

hognor si mostr’in ver quest’alma trista

se tanto esser mi dee dolc’e pietosa

Acciò l’amata sua leggiadra vista

ti sia poi cara sopra ogni altra cosa

che dolc’è’l ben che con martir se acquista.

Liefde, zie hoe ik sterf door jouw kwelling,

de gloed die straalt uit jouw twee heldere ogen,

zoals hij kan martelen, kan hij ook onheil aantrekken,

een schoonheid die het hart voedt en bevredigt.

Zien dat het medelijden voor mij in haar gelaat uitgedoofd is,

[dat] veroorzaakt deze zuchten en deze jammerklachten,

Zwijg, klaag niet, want deemoedig zul je weldra

dat trotse hart zien dat je nu schrik aanjaagt,

Waarom doe je zo, dat ze zich altijd ontwijkend en neerbuigend

toont tegenover deze arme ziel,

terwijl ze voor mij juist lief en vol mededogen zou moeten zijn.

Opdat haar zo geliefde en lieflijke blik

jou dierbaarder zou zijn dan wat dan ook,

want zoet is hetgeen men wint door beproeving.

 

Missa Mille Regretz (Kyrie) – Christobal de Morales (ca. 1500-1553)

Kyrie eleison,

Christe eleison,

Kyrie eleison.

Heer, ontferm U over ons,

Christus, ontferm U over ons,

Heer, ontferm U over ons.

 

Lieti fior – Costanzo Festa (ca. 1490-1545)

Lieti fior, verdi frondi che solete,

Farvi del pianto mio sempre maggiori,

Fresch’herbe che di lei orma tenete,

Cui preme sol desio d’eterni onori,

Ripost’ombre, antri, foschi, onde quiete

Che dalle vostre fonti uscendo fuori,

Col vago mormorar, mi respondete,

Quando pietà vi vien di miei dolori,

Aure ch’al herbe il fresco ai fior le odore,

Gite furando a me quarele gravi,

Quando saranno arriva i miei martiri,

Or se per ben servir mer[i]to dolore,

Ricogliete voi lieti miei desiri,

Fior, frondi, herbe, ombre, antri, onde, aure suavi.

Lieflijke bloemen, groen gebladerte, jullie die plegen

mijn klagen steeds groter te maken

Frisse kruiden die de herinnering aan u vasthouden,

Die louter het verlangen wil naar eeuwige roem

Rust schaduwen, spelonken, somberte, golven, kalmte

Die uit uw bronnen opwelt,

Met vaag gemurmel, antwoord mij,

Wanneer er soelaas komt voor mijn verdriet,

Briesjes die aan het kruidgewas de frisheid, aan de bloemen de geur [geven],

Tochtjes door het razen van zware klachten tegen mij,

Wanneer mijn martelingen hun doel zullen bereikt hebben

Nu, als als ik door toegewijd [de liefde] te dienen verdriet verdien,

Verzamel jullie dan mijn verlangens,

Lieflijke bloemen, gebladerte, kruidgewas, schaduwen, spelonken, golven, aangename briesjes

 

Missa Sanctissimae Trinitatis (Sanctus) – Vincenzo Ruffo (ca. 1508-1587)

Sanctus, Sanctus, Sanctus,

Dominus Deus Sabaoth.

Pleni sunt caeli et terra gloria tua.

Hosanna in excelsis.

Benedictus qui venit in nomine Domini.

Hosanna in excelsis.

Heilig, Heilig, Heilig,

De Heer der hemelse machten,

Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid,

Hosanna in den hoge,

Gezegend hij die komt in de naam des Heren,

Hosanna in den hoge.

 

Christus factus est – Felice Anerio (ca. 1560-1614)

Christus factus est pro nobis

obediens usque ad mortem autem crucis.

Propter quod et Deus exaltavit illum

et dedit illi nomen quod est super omne nomen.

Christus is voor ons mens geworden,

gehoorzaam zelfs tot aan zijn kruisdood.

Hiervoor heeft God hem verheven

en hem de naam gegeven die boven elke naam staat.

 

Lodate Dio – Giovanni Animuccia (ca. 1500-1571)

Lodate Dio, col cuor humil et pio.

Su anime leggiadre vestitevi d’amore,

rendet’al sommo Padre laude gloria et honore.

Lodate Dio...

Ringratiate il Signore con ogni buon desio.

Egli è quel somme bene, che v’ha tutti creati,

tratti di mortal pene, con sua morte salvati,

al ciel chiamati da Jesu dolce et pio.

Lodate Dio...

Loof God, met nederig en vroom hart.

Op, lieftallige zielen, kleed u met liefde,

breng lof en bewijs glorie en eer aan de opperste vader.

Loof God...

Dank de Heer met elk goed verlangen.

Hij is dat opperste goede, dat jullie allen heeft geschapen,

onttrokken heeft aan de dodelijke zonde, gered door zijn dood,

ter hemel geroepen door Jezus zoet en vroom.

Loof God...

 

Regina de le Vergini – Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525/6-1594)

Regina de le Vergini e di tutte,

squadre beatissime de’ Santi,

dà chi’io del cor di pietra e da l’asciutte

mie lucci tragga ogn’hor sospiri e pianti.

E se de l’ama le virtù distrutte

fur dà vezzi del mondo e da gli incanti

de’ spirti rei, per te, mutando stato,

sospirando e piangendo io sia beato.

Koningin van maagden en van allen,

allerzaligste scharen van heiligen,

geef dat ik aan mijn stenen hart en aan mijn droge ogen

elk uur zuchten en tranen onttrek.

En moge ik, ook als de deugden van de ziel verwoest zijn

door de verlokkingen van de wereld en door de betovering

van kwade geesten, omwille van U, door mijn levensstijl te veranderen;

zuchtend en wenend zalig worden.

 

Selectieve literatuurlijst

K. Jeppesen, Die mehrstimmige italienische Laude um 1500 (Leipzig-Kopenhagen 1935).

H.-W. Frey, Regesten zur päpstlichen Kapelle unter Leo X. und zu seiner Privatkapelle, Die Musikforschung 8 (1955), 58-73, 178-199, 412-437; 9 (1956), 46-57, 139-156, 411-419.

A. Ducrot, Histoire de la Cappella Giulia au XIVe siècle, depuis sa fondation par Jules II (1513) jusqu’à sa restauration par Grégoire XIII (1578), Mélanges d’archéologie et d’histoire de l’Ecole française de Rome 75 (1963), 179-240, 467-559.

W. Rubsamen, From Frottola to Madrigal: The Changing Pattern of Secular Italian Vocal Music, in J. Haar (uitg.), Chanson and Madrigal, 1480-1530 (Cambridge 1964), 51-87.

H.-W. Frey, Die Kapellmeister an der französischen Nationalkirche San Luigi dei Francesi in Rom im 16. Jahrhundert, Archiv für Musikwissenschaft 22 (1965), 272-293.

L. Lockwood, Some Observations on the Commission of Cardinals and the Reform of Sacred Music (1565), Quadrivium 7 (1966), 39-55.

E.E. Lowinsky (uitg.), The Medici Codex of 1518. A Choirbook of Motets Dedicated to Lorenzo de’Medici, Duke of Urbino, 3 vol. Monuments of Renaissance Music 3-5 (Chicago-Londen 1968).

H. E. Smither, Narrative and Dramatic Elements in the Laude Filippine, 1563-1600, Acta Musicologica 41 (1969), 186-199.

T.D. Culley, Jesuits and Music: A Study of the Musicians Connected with the German College in Rome during the 17th Century and of their Activities in Northern Europe (Rome 1970).

L. Fiorani (uitg.), Riti, cerimonie, feste e vita di popolo nella Roma dei papi (Bologna 1970).

P. Partner, Renaissance Rome 1500-1559: A Portrait of a Society (Berkeley-California 1976).

T.D. Culley, Musical Activity in Some Sixteenth-Century Jesuit Colleges, with Special Reference to the Venerable English College in Rome from 1579 to 1589, Analecta Musicologica 19 (1979), 1-29.

A.-M. Bragard, Les musiciens ultramontains des chapelles du pape Médicis Leon X (1513-1521), Bulletin de l’Institut Historique Belge de Rome 50 (1980), 187-215.

S.G. Cusick, Valerio Dorico: Music Printer in Sixteenth-Century Rome (s.l.: UMI Research Press 1981).

A.-M. Bragard, La vie musicale à la cour du pape Médicis Clément VII (1523-1534), in M.D. Grace (uitg.), A Festschrift for Albert Seay: Essays by his Friends and Colleagues (Colorado Springs 1982), 45-70.

M.T. Bonadonna Russo, Musica e devozione nell’oratorio di S. Filippo Neri, in R. Lefevre (uitg.), Musica e musicisti nel Lazio. Lunario Romano 15 (Rome 1985), 145-166.

L. Lockwood, Adrian Willaert and Cardinal Ippolito I d’Este: New Light on Willaert’s Early Career in Italy, 1515-1521, Early Music History 5 (1985), 85-112.

N. Pirrotta, "Dolci Affetti": I musici di Roma e il madrigale, Studi musicali 14 (1985), 59-104.

R. Bruscagli, Trionfi e canti carnascialeschi del Rinascimento, 2 vol. (Rome 1986).

R. Sherr, The Medici Coat of Arms in a Motet for Leo X, Early Music 15 (1987), 31-35.

T.F. Kennedy, Jesuits and Music: Reconsidering the Early Years, Studi musicali 17 (1988), 71-100.

J.P. Couchman, Felice Anerio’s Music for the Church (Ph.D., University of California 1989).

C. Reynolds, Rome: A City of Rich Contrast, in I. Fenlon (uitg.), The Renaissance from the 1470s to the End of the 16th Century (Londen 1989), 63-101.

A. Morelli, "Il Tempio armonico". Musica nell’Oratorio dei Filippini in Roma (1575-1705). Analecta Musicologica 27 (Laaber 1991).

P.F. Starr, Rome as a Centre of the Universe: Papal Grace and Musical Patronage, Early Music History 11 (1992), 223-262.

A. Sanders-McFarland, Papal Singers, the Musica Segreta, and a Woman Musician at the Papal Court: The View from the Private Treasury of Paul III, Studi musicali 24 (1995), 209-230.

W.F. Prizer, Facciamo pure noi carnevale: Non-Florentine Carnival Songs of the Late 15th and Early 16th Centuries, in I. Alm, A. McLamore en C. Reardon (uitg.), Musica franca: Essays in Honor of Frank D’Accone (Stuyvesant, New York 1996), 173-211.

R. Sherr, Papal Music and Musicians in Late Medieval and Renaissance Rome (Oxford 1998).

G. La Face Bianconi en A. Rossi, Le rime di Serafino Aquilano in musica. Studi e testi per la storia della musica 13 (Firenze 1999).

A. Roth, Liturgische Musik im Dienste der maiestas papalis in re divina, Hochrenaissance im Vatikan. Kunst und Kultur im Rom der Päpste 1503-1534, catalogus van de gelijknamige tentoonstelling in de Kunst- und Ausstellungshalle Bonn, 11 december 1998-11 april 1999 (Bonn 1999), 162-170.

K. Pietschmann, Kirchenmusik zwischen Tradition und Reform. Die päpstliche Sängerkapelle und ihr Repertoire im Pontifikat Pauls III. (1534-1549) (in druk).

 

(c) Amici Academiae Belgicae - webmaster